Waar het woord veiling vandaan komt, en andere rare herkomsten
Veiling komt van 'veil', kavel van een lootje en afslager van de klok. Plus een Romeinse speer, een keizerrijk verkocht in 193 en een brandende kaars.

Nederland heeft een eigen woord voor bijna alles wat er op een veilingavond gebeurt, en die woorden zijn ouder dan het veilinghuis en ouder dan het hamertje. Geen toeval: dit land verkoopt al eeuwen bloemen, vis en groenten bij opbod en bij afslag.
Hieronder staat wat er werkelijk valt vast te stellen, met de twijfelachtige stukken als twijfelachtig aangemerkt.
Veiling komt van 'veil', en dat betekende te koop
Ons woord veiling komt van het werkwoord veilen, en dat komt weer van het oude bijvoeglijk naamwoord veil, dat simpelweg "te koop" betekende. Je hoort het nog in de uitdrukking dat iemand er iets voor veil heeft: hij is bereid het weg te geven.
Het Engelse auction loopt langs een andere weg: het Latijnse auctio, een toename of groei, bij het werkwoord augere, vermeerderen, dezelfde stam als in augmentatie. Een Romeinse auctio was letterlijk een verkoop bij oplopende biedingen. Het woord dook rond 1590 in het Engels op; auctioneer pas in 1708. Meer dan een eeuw lang had het Engels dus veilingen zonder woord voor wie ze leidde.
De speer in de grond
De Romeinen veilden aan de lopende band: nalatenschappen, schulden, in beslag genomen bezit en de buit van een veldtocht. Een openbare verkoop werd aangekondigd door een speer, de hasta, in de grond te planten op de plek van verkoop. Wat zo wegging, werd verkocht sub hasta, onder de speer. Onze uitdrukking "onder de hamer" heeft dezelfde vorm, al kwam het hamertje veel later en staan die twee niet rechtstreeks met elkaar in verband.
De man die de verkoop leidde heette praeco, een omroeper. Geboden werd er in een atrium auctionarium, waar de spullen vooraf bekeken konden worden: een kijkdag onder een andere naam. Vrijwel de hele moderne opzet is er al.
Twee beroemde verkopen, waarvan er één waarschijnlijk verzonnen is
De beruchtste veiling uit de geschiedenis vond plaats in Rome in het jaar 193. De pretoriaanse garde had keizer Pertinax vermoord. In plaats van een opvolger aan te wijzen, boden ze de troon aan wie er het meeste voor wilde betalen.
Twee mannen boden. Sulpicianus, de schoonvader van de dode keizer, stond al binnen het kamp. Didius Julianus, een rijke senator, bood van buiten de muren en won door elke soldaat een hoger bedrag te beloven. Hij werd op 28 maart 193 tot keizer uitgeroepen. Op 1 juni van datzelfde jaar was hij dood, na een regering van zo'n zesenzestig dagen, omdat de legers in de provincies weigerden een gekochte troon te accepteren. Daarmee begon wat historici nu het Jaar van de Vijf Keizers noemen.
Het is het oudste goed gedocumenteerde geval van waar elke afslager op leunt: een bieder die zijn eigen getal verhoogt, niet omdat het voorwerp beter werd, maar omdat iemand anders het ook wilde.
Herodotus beschreef in de vijfde eeuw voor Christus een jaarlijkse veiling in Babylonische dorpen, waarbij jonge vrouwen aan de hoogste bieder werden uitgehuwelijkt en de opbrengst diende als bruidsschat voor de rest. Het wordt onophoudelijk aangehaald als de eerste veiling die is opgetekend.
Waarschijnlijk is het geen geschiedenis. Niets in het overgeleverde Babylonische materiaal ondersteunt het, en het leest als een Griekse schrijver die gebruiken navertelt die hij half begreep. Goed om te weten, zodat je het niet als feit door de microfoon herhaalt.
Een kavel was ooit een stokje
Ook het woord kavel heeft weinig met verkopen te maken. Het Middelnederlandse cavel was een lootje: een stukje hout of een staafje waarmee werd bepaald wie welk deel kreeg. Kavelen was verdelen door te loten, en pas daarna werd een kavel het deel zelf — een stuk grond, en uiteindelijk een partij goederen die samen wordt verkocht.
Het Engelse lot ging dezelfde weg vanuit het Oudengelse hlot: houtjes in een helm, schudden, en wat er als eerste uit viel besliste. Daar komt ook loterij vandaan, en dat is precies waarom een kavel geen lot is: het ene verkoop je, het andere verloot je, en dat zijn juridisch twee verschillende avonden.
Als jij op vrijdagavond je kavels nummert, gebruik je dus een woord voor een stokje in een pot.
Van kaarsen naar catalogi
Ruim voor het hamertje werden verkopen in Engeland met vuur afgesloten. Bij een kaarsveiling werd bij aanvang een duim kaars aangestoken en er werd geboden zolang die brandde. Wie het laatste bod had gedaan toen de vlam doofde, kreeg de goederen.
De praktijk duikt op in de verslagen van het Britse Hogerhuis in 1641. Samuel Pepys noteerde dat hij er op 6 november 1660 een bijwoonde, voor de verkoop van twee schepen, en tekende erbij aan dat het de eerste in zijn soort was die hij ooit had gezien.
In één variant stak er een speld in de was; smolt die weg, dan viel de speld en won het laatste bod daarvoor. Het ontwerpprobleem is hetzelfde als dat van elke organisator nu: een einde dat niemand kan voorspellen zorgt dat mensen niet gaan wachten. Precies daarom verlengt een modern kavel wanneer er in de laatste seconden nog geboden wordt, in plaats van simpelweg te stoppen. Hoe die aftelklok en die verlenging werken, staat bij hoe het werkt. Zelfde idee, zonder was.
En hier laten we hem achteruit lopen
Een veiling hoeft niet omhoog te gaan. In Nederland worden versproducten al ruim een eeuw verkocht op een dalende klok. De prijs begint hoog en zakt, en de eerste koper die op de knop drukt krijgt de partij tegen het bedrag waar de klok op stond. Aarzel je, dan betaal je minder. Aarzel je net te lang, dan heb je niets.
Dat drukken heet afmijnen, naar de kreet "mijn!" waarmee een koper de partij vroeger opeiste. Daar komt ook het woord afslager vandaan: de prijs wordt afgeslagen tot iemand toehapt.
De eerste groenteveiling van dit type wordt doorgaans in Broek op Langedijk in 1887 geplaatst, waar tuinders hun waar per schuit aanvoerden. De bloemenveiling in Aalsmeer, opgericht in 1911, maakte de vorm wereldberoemd en verzet er nog steeds enorme volumes mee. Het is het spiegelbeeld van de Romeinse verkoop: in plaats van dat de prijs groeit tot er één bieder over is, zakt hij tot de eerste bieder beweegt.
Sotheby's rekent zichzelf terug tot 11 maart 1744, toen boekhandelaar Samuel Baker in Londen enkele honderden delen uit een particuliere bibliotheek verkocht en er £826 voor kreeg. Christie's hield zijn eerste verkoop op 5 december 1766. Beide begonnen met boeken en niet met schilderijen; de kunsthandel kwam daarna.
De hele traditie van de veilingzaal zoals de meeste mensen zich die voorstellen — met catalogus, kijkdag, richtprijs en hamertje — is dus nog geen driehonderd jaar oud. Het gedrag dat ermee in goede banen wordt geleid is ongeveer tien keer zo oud.
Wat dit alles zegt over jouw vrijdagavond
Haal de speer, de kaars en de klok weg en er blijft steeds hetzelfde over. Iemand bepaalt wat iets hem waard is. Vervolgens ontdekt hij dat een ander het ook wil, en het getal verandert.
Daar is geen beroepskracht voor nodig, maar zichtbare concurrentie, een einde waar mensen in geloven en een zaal die kan zien wat er gebeurt. Daarom horen het kavel dat nu loopt, het hoogste bod, de aftelklok en het lopende totaal op een scherm dat iedereen kan zien, en daarom telt de laatste minuut van een kavel zwaarder dan wat dan ook. Hoe je dat praktisch opbouwt staat in de handleiding. Wie hier zijn beroep van maakt werkt met exact dezelfde drie ingrediënten; daar is een versie voor op de pagina voor organisatiebureaus.
Tweeduizend jaar aanwijzingen wijzen dezelfde kant op: mensen bieden sneller en hoger als er iemand naast ze staat die precies wil wat zij willen. Jouw taak is zorgen dat ze dat merken. Een hele avond opbouwen en droog oefenen kan vooraf, bij beginnen.
Ook de moeite waard
Een andere kant van de avond — met opzet, niet meer van hetzelfde.
Opzetten kost niets, en je kunt de hele avond naspelen voordat je beslist.
Begin met opzetten

